Kunst of etnografica? De positie van verzamelaar Anne Tjibbes van der Meulen binnen de discussie over het verzamelen, waarderen en presenteren van Aziatica rond 1900
Keywords
Loading...
Authors
Issue Date
2024-09-30
Language
nl
Document type
Journal Title
Journal ISSN
Volume Title
Publisher
Title
ISSN
Volume
Issue
Startpage
Endpage
DOI
Abstract
De naam Anne Tjibbes van der Meulen (1862-1934) zal weinig mensen iets zeggen. En toch is deze excentrieke Friese verzamelaar buitengewoon belangrijk geweest voor de Nederlandse perceptie van niet-westerse kunst, in het bijzonder van Aziatica. In Nederland stond Van der Meulen aan de basis van een tamelijk onorthodox gedachtegoed. Zijn enorme liefde voor de ‘schone’ Aziatische kunst was ongekend. Tegenwoordig kijkt men niet meer op als het woord Aziatische kunst voorbijkomt. In die tijd, de late negentiende en vroege twintigste eeuw, was dat nog heel anders. Tot dan toe was de etnografisch wetenschappelijke benadering van Aziatica nog heersend. Waar in andere landen als Frankrijk en Duitsland de eerste Aziatische kunstmusea uit de grond rezen, bleef het in Nederland angstig stil. Van der Meulen was een van de weinigen die in extase raakte van het Aziatisch ‘schoon’.1 (0.1) Toen hij in 1906 in het Friese Bergum het eerste en enige Aziatische kunstmuseum van Nederland opende, trok dat veel bekijks.
In 1918 kwam een groep mensen bij elkaar in Den Haag, van wie velen verwante ideeën hadden aan die van Anne.2 Datzelfde jaar nog richtte zij de Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst op.3 Van der Meulen werd zelf ook lid van de Vereeniging.4 Maar al snel ontstond er onenigheid onder de leden. Een grote strijd ontvouwde zich over de waardering van Aziatica. De etnografen en kunstliefhebbers stonden lijnrecht tegen over elkaar.5
Allereerst is het al zeer opmerkelijk dat deze strijd relatief onbekend is: het is immers een ongekend belangrijk en invloedrijk onderdeel van de Nederlandse geschiedenis van kunstperceptie en museologie. Tegenwoordig brandt de discussie rondom niet-westerse kunst: hoe moet men het benaderen; hoe moet een museum het presenteren; welke rol neemt het in; welke waarde heeft het; staat het gelijk aan westerse kunt en is de etnografische benadering nog wel van deze tijd? Al deze vragen zijn tegenwoordig een ‘hot item’: kranten, tijdschriften en artikelen staan er vol mee. Neem bijvoorbeeld Het onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst is achterhaald uit 2009 door Lejo Schenk, directeur van het voormalige Tropenmuseum en Meta Knol, directrice van Museum de Lakenhal. Maar ook Non-Western Art and the Musée du Quai Branly: The Challenge of Authenticity door kunsthistorica Mary Bernard van de Universiteit van New Orleans uit 2014. Daarnaast branden deze vragen ook bij mensen die zich buiten de museumwereld bewegen, neem bijvoorbeeld Non-Western Art in the Museum: Appreciation or Appropriation? uit 2016 van Nur Sevencan. Overal zijn onderdelen van de discussie te vinden, vragen die zowel binnen als buiten het museumwezen spelen. Vaak denkt men dat deze discussies pas ontstaan zijn in recente jaren, maar niets is minder waar: de discussie woedt al ruim een eeuw.
Anne Tjibbes van der Meulen was niet de eerste Nederlander die naar Aziatica keek vanuit een esthetische blik, maar hij was wel de eerste die zo ver ging een eigen Aziatisch kunstmuseum te stichten. Hoewel Van der Meulen niet een voorman was binnen deze discussie, nam hij toch zeker een belangrijke positie in. Anne was, samen met Nanne Ottema (1874-1955), Herman Visser (1890-1965) en Herman Westendorp (1868-1941), uiteindelijk wel een van de meest invloedrijke personen voor de vorming van de Aziatische kunstcollectie binnen Nederland. Maar waar iedere liefhebber van Aziatische kunst de laatste drie namen ongetwijfeld zal kennen, is Van der Meulen vergeten.
In 2023 heb ik Lourens Oldersma ontmoet, voormalig voorzitter van de Ottema-Kingma Stichting en adjunct-directeur van het Tresoar. Hij bracht mij in aanraking met Van der Meulen en diens onbekendheid. Primaire bronnen over Anne zijn De Indische Verzameling te Bergum van Van der Meulen uit 1906 en vele brieven en dagboeken van de verzamelaar in de collectie van het Tresoar. De secundaire bronnen zijn er beperkt en bestaan slecht uit het Indische Museum terug in Burgum uit 1991 van Henstra; A. Tj. Van der Meulen, 1862-1934: De Stichter van een Merkwaardige Indische Verzameling, te Caïro Overleden van Hallema uit 1934; A. Tj. van der Meulen, een gedreven verzamelaar uit 1992 van Okx en Pasja van het Glas: Reizend Verzamelaar Anne Tjibbes van der Meulen van Hendriks als publicatie bij de tentoonstelling over glas uit 2009 in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Verder benoemt ook geen van de bestaande literatuur enige connectie tussen Anne en de discussie of de Vereeniging. Dit maakte mij alleen maar nieuwsgieriger. In de loop van mijn onderzoek stuitte ik op een belangrijke passage over Van der Meulen in Verzameldrift: Biografie van Nanne Ottema (1874-1955) uit 2022 dat wees op een connectie tussen Anne en de discussie. Kort daarop nam ik contact op met de auteur van de biografie, Antoon Ott. Het telefonische gesprek met Ott, in april 2024, over de mogelijkheden en onmogelijkheden van onderzoek naar de brieven tussen Ottema en Van der Meulen, hielp mij verder bij het formuleren van de vraagstelling voor, en aanpak van, mijn onderzoek.
Met dit onderzoek hoop ik het volgende te achterhalen: Welke positie neemt Anne Tjibbes van der Meulen in binnen de kunst en etnografische discussie over het verzamelen, waarderen en presenteren van Aziatica in de Nederlandse vroege twintigste eeuw? Om dat te kunnen beantwoorden is het als eerste belangrijk om de discussie zelf beter te begrijpen. In het kort zal ik behandelen hoe deze is ontstaan, verlopen en ‘beëindigd’. Daarnaast is het van cruciaal belang om meer te weten te komen over Anne Tjibbes van der Meulen: wie is deze man; wat verzamelde hij zoal en hoe kwam hij eraan; hoe keek hij nu precies naar deze objecten en hoe presenteerde hij ze aan het publiek? Wanneer daar dan een duidelijk beeld over de verzamelaar uitkomt, is het noodzakelijk om beide stromingen binnen de discussie te behandelen. Daarom zal eerst de heersende en orthodoxe ideologie van de etnografie behandeld worden. Daarvoor richt ik mij op het voormalige Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, nu Wereldmuseum Leiden. De keuze voor dit museum was simpel: het was in die tijd het grootste en belangrijkste etnografisch wetenschappelijk museum van Nederland; de oorsprong van het museum lag bij een verzamelaar, niet bij een instantie en tenslotte was de directeur van dit museum de voorman van de etnografische beweging binnen de discussie. Daartegenover plaats ik de Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst en haar tentoonstellingen in 1919 en 1925. Zij vertegenwoordigde, onder leiding van Visser (1890-1965) en Westendorp (1868-1941), de kunstzinnige of esthetische beweging. Uiteraard onderzoek ik van beide partijen hetzelfde als bij Van der Meulen: met wie hebben we te maken; wat wordt er verzameld en waar vandaan; welk gedachtengoed over Aziatica was heersend en hoe presenteerde men de objecten aan het publiek? In de conclusie hoop ik vervolgens de positie van Van der Meulen binnen deze discussie te kunnen vaststellen: behoorde hij geheel in het esthetische kamp of waren er toch ook punten waardoor hij erbuiten viel?
Om het onderzoek tot een succesvol einde te brengen heb ik de bestaande literatuur, en archiefstukken, goed bestudeerd. De belangrijkste bronnen over Van der Meulen zijn al in de vorige paragraaf vermeld. De archiefstukken, met name de brieven en dagboeken van Anne, heb ik vooral verwerkt vanuit secundaire literatuur. De hoeveelheid van deze bronnen is te veel voor een bachelorwerkstuk. Archiefstukken uit het Rijksmuseum, betreffende de Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst, heb ik wel zelf doorgenomen. Het is van belang om de cruciale elementen uit deze teksten te halen om die vervolgens gestructureerd uiteen te zetten. Alleen op die manier is het mogelijk om de positie van Van der Meulen binnen de discussie nauwkeurig te bepalen.
Om het onderzoek in te perken heb ik besloten om mij enkel te focussen op de ‘Indische periode’ van de verzamelaar. Verder heb ik daarom ook aan iedere kant van de discussie één leidende partij gekozen om te behandelen. Bij de Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst zal hierbij voornamelijk gefocust worden op de periode rondom de eerste twee tentoonstellingen in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Wat betreft het Rijks Ethnografisch Museum worden met name de periodes onder leiding van directeuren L. Serrurier (1846-1901), J. D. E. Schmeltz (1836-1909) en H. H. Juynboll (1867-1945) behandeld, specifiek gericht op de Aziatica. Door het gehele onderzoek heen worden alleen de belangrijkste zaken besproken om de stof behapbaar te houden. Bij het onderdeel over Anne ben ik soms iets verder uitgeweid om zo een beter beeld van de verzamelaar te kunnen geven.
Aangezien het nodig is om te weten welke objecten de drie partijen verzamelen zou het mooiste zijn als alle voorwerpen naast elkaar gezet kunnen worden. Een opsomming van objecten zou echter voor een te droge tekst zorgen. Om deze reden heb ik besloten om de verzameling van de drie partijen niet in een afzonderlijke paragraaf te behandelen, gedoseerd te introduceren door het onderzoek heen.
Door de tekst van het werkstuk heen worden ook veel citaten getoond. Dit is gedaan omdat het kijken naar objecten een belangrijk onderdeel van dit onderzoek is. Ik ben ervan overtuigt dat niemand een gedachtengoed zo goed kan verwoorden als de persoon zelf. Zeker Van der Meulen weet uitzonderlijk goed zijn manier van denken beeldend op papier te zetten. Door over de verzamelaar te lezen in zijn eigen woorden krijgt men een verassend goed beeld van de man zelf.
Description
Citation
Supervisor
Faculty
Faculteit der Letteren
