Het effect van een groepstraining tegen uitstelgedrag bij universiteitsstudenten op de mate van uitstelgedrag en academische zelfeffectiviteit.

Keywords

Loading...
Thumbnail Image

Issue Date

2020-07-01

Language

nl

Document type

Journal Title

Journal ISSN

Volume Title

Publisher

Title

ISSN

Volume

Issue

Startpage

Endpage

DOI

Abstract

Het doel van het huidige gerandomiseerde gecontroleerde onderzoek was om na te gaan of een vertaalde en verkorte aanpassing van een bestaande CGT-interventie effectief was in het terugdringen van uitstelgedrag bij studenten (n = 36) en om te onderzoeken of de interventie daarnaast doeltreffend was voor het verhogen van de academische zelfeffectiviteit. Studenten werden gerandomiseerd over interventie- en controlegroep en voltooiden voorafgaand en opvolgend aan de interventie metingen voor uitstelgedrag en academische zelfeffectiviteit. De interventiegroep werd onderworpen aan een vierweekse CGT-training en gedurende deze periode vervulde de controlegroep een wachtlijstpositie. Verwacht werd dat de interventie zou leiden tot een significante afname in uitstelgedrag en een significante toename in academische zelfeffectiviteit in de interventiegroep ten opzichte van de controlegroep. De resultaten waren in lijn met deze hypothese, wat de interventie een effectieve methode maakt voor het terugdringen van uitstelgedrag en verhogen van academische zelfeffectiviteit in studenten. Uitvoering van het onderzoek werd beperkt door noodgedwongen aanpassingen in de vormgeving wegens de Coronacrisis. Aanbevolen wordt in vervolgonderzoek de interventie wederom in fysieke aanwezigheid aan studenten aan te bieden en een actieve controleconditie te includeren. Kernwoorden: uitstelgedrag, academische zelfeffectiviteit, cognitieve gedragstherapie “Morgen weer een dag” is een veelvoorkomend excuus dat men voor zichzelf gebruikt om vervelende maar noodzakelijke werkzaamheden verder uit te stellen. Het invullen van de belastingaangifte is een welbekend voorbeeld van zo een frequent uitgestelde verplichting die zelden als plezierig wordt beschouwd. In plaats van ermee aan de slag te gaan verliest men zich in meer verleidelijke bezigheden die onmiddellijke voldoening opleveren, zoals sociale media en tv. Dit fenomeen staat bekend als uitstelgedrag en wordt nauwkeuriger gedefinieerd als “Het vrijwillig uitstellen van een beoogde en noodzakelijke en/ of belangrijke activiteit, ondanks de te verwachten potentieel negatieve consequenties die zwaarder wegen dan de positieve consequenties van het uitstellen” (Klingsieck, 2013; Steel, 2007). Het komt voor binnen alle lagen van de bevolking, maar vormt bovenal een veelvoorkomend probleem onder studenten. Schouwenburg (1992) toonde aan dat meer dan 70% van de bachelorstudenten academisch uitstelgedrag vertoont, waarvan 20% in chronische mate. Uit een meta-analyse van Steel (2007) komt naar voren dat 80%-90% van de bachelorstudenten zich op enige wijze schuldig maakt aan uitstelgedrag. Deze neiging tot het uitstellen van belangrijke taken heeft een negatieve invloed op de academische prestatie, wat resulteert in lagere cijfers en uitval 1 binnen lesprogramma’s (Visser, Korthagen, & Schoonenboom, 2015; Steel, 2007). Naast de nadelige gevolgen voor het academisch functioneren, lijdt ook het subjectieve welzijn onder uitstelgedrag. Zowel mentale als fysieke stress, slaapproblemen en vermoeidheid zijn frequent gerapporteerde klachten en daarnaast vormen onder meer angst, schaamte en boosheid klachten op affectief niveau (Grunschel, Patrzek, & Fries, 2013; Patrzek, Grunschel, & Fries, 2012). Ondanks dat niet altijd sprake is van een chronische of ernstige vorm van uitstelgedrag, ondervinden studenten over het algemeen meer problemen aan deze ongewenste gewoonte dan de rest van de bevolking. De verhoogde stressniveaus en verontrusting die hierdoor tot stand komen, hebben invloed op de mate waarin studenten in staat zijn hun lesprogramma te voltooien en uiteindelijk een diploma te behalen. Het richten van een interventie op uitstelgedrag zou zodoende veelbelovend zijn voor het bevorderen van prestatie op studiegerichte taken en het vermijden van de gezondheidsrisico’s die gerelateerd zijn aan het uitstelgedrag (Sirois, 2004, 2007). Om te bepalen op welke manier uitstelgedrag teruggedrongen kan worden, is inzicht vereist in de achterliggende mechanismen van deze gedraging. Noran (2000) kenmerkte uitstellers aan de hand van vier cognitieve verstoringen, te weten: overschatting van de resterende tijd die beschikbaar is voor het voltooien van de taak, onderschatting van de benodigde tijd voor het voltooien van de taak, de misvatting dat emotionele congruentie vereist is voor taakvoltooiing, oftewel de opvatting dat een werkstemming essentieel is voor het afronden van een taak en tot slot de overschatting van de toekomstige staat van gemotiveerdheid. Ter illustratie: zo kan men het invullen van de belastingaangifte voor zich uit blijven schuiven door zichzelf voor te houden dat er nog een aantal weken hiervoor beschikbaar zijn, dat dit een weinig tijdsintensieve taak is en dat de bereidheid om te starten er momenteel niet is, maar de motivatie om ermee aan de slag te gaan nog zal komen. Het motivationele aspect van uitstelgedrag is ook onderzocht door Steel (2007, 2011). Op basis van de bevindingen in zijn meta-analyse over de oorzaken en effecten van uitstelgedrag ontwikkelde hij de Temporal Motivational Theory, een verklarend model gericht op de totstandkoming van motivatie (Steel, 2007). Een centrale rol binnen deze theorie wordt vervuld door de procrastinatievergelijking, een formule aan de hand waarvan wordt aangetoond dat het vergroten van motivatie de sleutel is tot het terugdringen van uitstelgedrag (Steel, 2007, 2011). In Steel’s onderzoek wordt duidelijk dat de motivatie om een taak uit te voeren afhangt van vier essentiële elementen: enerzijds de inschatting van de persoonlijke waarde en de verwachting succesvol te zijn en anderzijds de neiging tot impulsiviteit (afleidbaarheid) en vertragingstolerantie. De motivatie om met een taak zoals de 2 belastingaangifte aan de slag te gaan is dus groter wanneer deze taak als waardevol en uitvoerbaar wordt beschouwd in plaats van onbeduidend en complex. Daarbij beïnvloeden de persoonlijke neiging tot impulsief handelen en het onvermogen te wachten op een uitgestelde beloning ook de mate van gemotiveerdheid. Een gebrek aan motivatie blijkt volgens deze theorie te resulteren in uitstelgedrag (Steel & König, 2006). Nu de factoren onderliggend aan uitstelgedrag gedefinieerd zijn, is het van belang te onderzoeken hoe deze worden vertaald naar effectieve interventies, want hoewel uitstelgedrag een aanzienlijk probleem vormt binnen de studentenpopulatie is het aantal beschikbare onderzoeken waarin interventies effectief zijn gebleken relatief beperkt. Rozental et al. (2018a) vergeleken en analyseerden in een grootschalige meta-analyse alle gepubliceerde interventiestudies op gebied van uitstelgedrag. Hieruit kwam naar voren dat psychologische interventies over het algemeen een gering effect hebben op het verminderen van uitstelgedrag in studenten. Een uitzondering hierop vormde de cognitieve gedragstherapie (CGT), die met een middelgroot effect als veelbelovende interventie erbovenuit stak. Deze aangetoonde effectiviteit werd echter gebaseerd op slechts drie beschikbare en kwalitatief matige CGT interventies gericht op uitstelgedrag. Zo was de duur van deze interventies zeer gering en ontbraken inactieve controlecondities, waardoor het specifieke interventie-effect niet aantoonbaar was. Zodoende bleef een vraag naar verder gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek bestaan. Rozental et al. (2018b) ontwikkelden vervolgens zelf een interventie voor het terugdringen van uitstelgedrag gebaseerd op de principes van CGT en de Temporal Motivational Theory (Steel, 2007). Deze gerandomiseerde gecontroleerde interventie bleek met een vooruitgang in een derde tot de helft van de interventiegroep effectief. Een beperking van de groepsinterventie vormde echter de hoge mate van uitval die mogelijk toe te schrijven was aan de lange duur van de trainingssessies. Daarnaast blijft een grote vraag bestaan naar verder gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek waarin de effectiviteit van interventies tegen uitstelgedrag bij studenten wordt bestudeerd. Daaraan kan dit onderzoek een bijdrage bieden. Met het oog op het vergroten van de kennis op het gebied van effectieve interventies voor uitstelgedrag bij studenten en in een poging om uitval binnen de groepstraining terug te dringen, werd deze interventie gereproduceerd. De interventie is vertaald vanuit het Zweeds naar het Engels en is in een verkorte versie aan studenten aangeboden in vier wekelijkse begeleide bijeenkomsten van elk twee uur. Het primaire doel dat dit onderzoek nastreefde is om na te gaan of de interventie zoals deze gecontroleerd en in beknoptere vorm wordt aangeboden, effectief is. De hypothese werd dan ook geformuleerd dat binnen de interventiegroep na het volgen van de vierweekse interventie een grotere reductie in 3 uitstelgedrag zichtbaar zou zijn dan binnen de inactieve controlegroep. Daarnaast werd verwacht dat het inkorten van de interventieduur een kleinere mate van uitval teweeg zou brengen dan in het onderzoek van Rozental et al. (2018b). Secundair werd gekeken naar het bijkomende effect van de interventie op de academische zelfeffectiviteit bij studenten. Naast uitstelgedrag is namelijk ook zelf effectiviteit in verband gebracht met de academische prestatie. Zelfeffectiviteit duidt op de mate waarin iemand zichzelf in staat acht succesvol taken te volbrengen en oefent direct invloed uit op het vermogen tot zelfregulatie, een element dat van belang is voor het voltooien van academische taken (Zimmerman, 1990). Het vermogen tot zelfregulatie versterkt de bereidheid van studenten om te participeren in en te excelleren op academisch vlak (Balkis, 2011). De invloed van academische zelfeffectiviteit op de motivatie van studenten is zodanig sterk, dat het als een belangrijke voorspeller van academische prestatie, inspanning en doorzettingsvermogen wordt beschouwd (Pintrich & Schunk, 2002). Het is daarom van belang dat naast de nadruk op het beperken van uitstelgedrag in de studentenpopulatie ook wordt gefocust op het vergroten van academische zelfeffectiviteit onder studenten, om zodoende academisch falen en uitval binnen lesprogramma’s te voorkomen en de prestatie van studenten te optimaliseren (Cooper, 2015). Cognitieve gedragstherapie lijkt hierin verbeteringen te kunnen aanbrengen door het aanpakken van de disfunctionele opvattingen en het aanbieden van handvatten voor het effectief stellen van doelen en het ontwikkelen van een gedreven mentaliteit (Neenan, 2008). Aan de hand van cognitieve gedragstherapietechnieken wordt zelfeffectiviteit mogelijk versterkt, wat resulteert in flexibiliteit van denken en positieve gedachten en zodoende de ervaren problemen omzet in uitdagingen (Bardideh K., Bardideh F., & Kakabaraee, 2017). Aanvullend op het primaire onderzoeksdoel is dus de hypothese geformuleerd dat naast een vermindering in uitstelgedrag ook een grotere toename in academische zelfeffectiviteit wordt waargenomen bij de interventiegroep vergeleken met de controlegroep. Door het identificeren van mogelijke secundaire uitkomstmaten van de interventie kan een breder inzicht verkregen worden in de bijkomende interventie-effecten die kunnen bijdragen aan een verbeterd welzijn.

Description

Citation

Faculty

Faculteit der Sociale Wetenschappen

Programme